De betekenis van tak en wortel
Artikel nr. 2, 1985
De betekenis van wortel en tak. Het land Israël is een tak van de Sefira Malchut. Malchut wordt de Kli (vat) genoemd dat door de Emanator werd geëmanieerd om een Kli te worden voor de ontvangst van de overvloed die de Emanator aan Zijn schepselen wilde schenken. Deze Kli wordt Malchut genoemd.
De volgorde was dat er eerst een vat van ontvangst was met de intentie om te ontvangen. Daarna kwam er een correctie: het is verboden in deze Kli te ontvangen, tenzij wij kunnen richten met de intentie om te schenken. Dan wordt de overvloed in deze Kli aangetrokken. Deze correctie werd aangebracht zodat er, wanneer de overvloed tot de schepselen komt, geen tekort in hen zal zijn dat „brood van schaamte” wordt genoemd.
Integendeel, zij zullen de overvloed onbeperkt kunnen ontvangen, omdat zij zich bij het ontvangen van de overvloed niet zullen schamen. Zij zullen alle vreugde en al het genot dat zij ontvangen uitsluitend richten ten gunste van de Schepper. Dan zullen zij voortdurend overvloed doorgeven, omdat zij niet zullen kunnen zeggen dat zij de Schepper genoeg hebben gegeven en Hem niet meer hoeven te schenken. Daarom zullen zij altijd een reden hebben om overvloed door te geven.
Dit is niet zo wanneer zij de overvloed voor zichzelf ontvangen, dat wil zeggen uit eigenliefde. Dan moeten zij vanwege de schaamte worden beperkt. Zij zullen moeten zeggen dat de vreugde en het genot die Hij ons heeft gegeven voldoende zijn. Daarom werd de correctie aangebracht die beperking wordt genoemd: om geen Licht te ontvangen in de Kli van Malchut, tenzij wij kunnen ontvangen met de intentie om te schenken.
Vanuit de wortel van Malchut strekt zich naar beneden, in de stoffelijke tak, de Eretz [land] uit, die een tak is van de hogere Malchut. Dit land wordt het Heilige Land genoemd. Daarom zijn er in het Heilige Land bijzondere correcties, namelijk Mitzvot [geboden] die van het land afhankelijk zijn, zoals gaven en tienden. Dit geldt niet voor de overige landen.
Ook Jordanië heeft een bijzondere wortel, Syrië heeft een bijzondere wortel, Babylon heeft een bijzondere wortel, en zo heeft ieder van de overige landen zijn eigen wortel (zie Talmud Eser Sefirot, deel 16, blz. 1930). Daarom bevindt, vanuit het verband tussen tak en wortel, de plaats van de Tempel zich juist in het Heilige Land, het land Israël. Dit geldt nadat het land geheiligd was.
Maar voordat het volk Israël dit land binnenging, was het de plaats van zeven volken, die overeenkomen met de zeven heilige Sefirot. Zij waren tegengesteld aan heiligheid en strekten zich uit vanuit Malchut, waar nog geen correctie van de Masach [scherm] is, dat wil zeggen de intentie om te schenken. Daarom kwamen eerst de volken van de wereld daar, want zo is de volgorde in spiritualiteit: 1) eerst komt de wil om te ontvangen; 2) daarna komt de correctie om deze met de intentie om te schenken te gebruiken. Daarom geldt voor het Heilige Land: 1) eerst moesten de volken van de wereld komen, want zij behoren tot Malchut voordat zij met een Masach is gecorrigeerd zodat alles met de intentie om te schenken zal zijn; 2) daarna komt Israël en verovert hen.
Hieruit volgt dat het Heilige Land voortkomt uit Malchut en dat ook de wil om te ontvangen in de mens voortkomt uit Malchut. Daarom waren er 1) eerst de volken van de wereld in het land; 2) daarna kwam het volk Israël.
Zo is het ook in het hart van de mens: 1) eerst komt de kwade neiging; 2) daarna komt de goede neiging. Alles strekt zich uit vanuit de hogere wortels.
Er is echter een verschil tussen het hart van de mens, dat voortkomt uit Malchut, en het land Israël, dat eveneens voortkomt uit Malchut, want we moeten onderscheid maken tussen innerlijkheid en uiterlijkheid. In de uiterlijkheid moet de plaats van de tak overeenkomen met de wortel. In de innerlijkheid hoeft de mens zich echter niet noodzakelijk op de plaats van de overeenkomstige tak te bevinden.
Wat het land Israël betreft, dat overeenkomt met het hart van de mens en voortkomt uit de wortel van Malchut, hoeft een mens zich niet specifiek in het land Israël te bevinden om te worden beloond met het koninkrijk der hemelen, dat „land Israël” wordt genoemd. Innerlijk kan een mens ook buiten het land worden beloond met de vestiging van de Shechina [Goddelijkheid] en met de hoogste spirituele verworvingen, zoals ook onze grote wijzen die buiten het land verbleven.
Ook kunnen mensen die in het land Israël wonen de zwaarste overtreders zijn. Het land Israël, dat het „Heilige Land” wordt genoemd, verplicht hen vanuit de innerlijkheid op zichzelf niet Torah en Mitzvot te onderhouden, want wat de innerlijkheid betreft verplicht de uiterlijkheid hen niet. Innerlijkheid is het werk in het hart en staat niet rechtstreeks in verband met de uiterlijke plaats.
Tegelijkertijd bestaat echter ook de uiterlijkheid. Er geldt bijvoorbeeld een regel dat het verboden is Kaddish te zeggen wanneer er geen tien mannen aanwezig zijn. We onderzoeken niet of deze tien mannen volkomen vrees bezitten; wanneer tien gewone mannen bijeenkomen, mogen zij Kaddish zeggen, de „Zegen” uitspreken en uit de Torah lezen, enzovoort. Wanneer er echter negen rechtvaardige wijzen zijn, mogen zij geen Kaddish zeggen en de „Zegen” niet uitspreken, omdat de geopenbaarde wet volgens de uiterlijkheid wordt bepaald en niet volgens de kwaliteit van de innerlijkheid.
Hetzelfde vinden we in de „Inleiding tot het Boek van de Zohar” (punt 65). Hij schrijft: „Daarom zouden we kunnen vragen: waarom is het dan verboden het met de eersten oneens te zijn in de geopenbaarde Torah?” Dit komt doordat het bij het praktische deel van de Mitzvot juist omgekeerd is: de eersten waren daarin vollediger dan de laatsten. De handeling strekt zich namelijk uit vanuit de heilige vaten van de Sefirot — die „uiterlijkheid” worden genoemd, omdat de vaten „uiterlijkheid” worden genoemd ten opzichte van de Lichten, terwijl de Lichten „innerlijkheid” worden genoemd. De geheimen van de Torah en de Ta-amim [smaken] van de Mitzva [gebod] strekken zich daarentegen uit vanuit de Lichten in de Sefirot. Je weet al dat er een omgekeerde verhouding bestaat tussen Lichten en vaten.”
Hieruit volgt dat het geopenbaarde, dat wil zeggen het praktische deel, tot de uiterlijkheid behoort. Daarom zijn er wat het praktische deel betreft zaken die alleen in het land Israël kunnen worden gedaan, zoals het verbod de Tempel buiten het land te bouwen.
Maar in de innerlijkheid, die betrekking heeft op het hart van de mens, hoeft men zich niet specifiek in het land Israël te bevinden, hoewel de tak van Malchut juist het land Israël is. Toch zijn er eenwordingen waarbij, wanneer men de eenwording ook in het uiterlijke wil uitvoeren, deze specifiek in het uiterlijke, fysieke land moet plaatsvinden.
Zo vinden we een eenwording van ASHAN, een acroniem voor Olam, Shanah en Nefesh [respectievelijk wereld, jaar en ziel]. Deze eenwording moet juist volgens deze drie voorwaarden plaatsvinden: Olam [wereld] — specifiek op de plaats van het Heilige der Heiligen; Shanah [jaar] — wat de tijd betreft, specifiek op Yom Kippur [Grote Verzoendag]; Nefesh [ziel] — wat Nefesh betreft, specifiek door de hogepriester.
Wat de innerlijkheid betreft, wanneer we spreken over het hart van de mens waar hij de Schepper begint te dienen — dat wil zeggen het werk van het verlaten van de eigenliefde, die het „land van de volken” wordt genoemd, en in plaats daarvan het volk Israël daarin vestigt, zodat zijn intentie uitsluitend zal zijn de Schepper lief te hebben — bestaat er het onderscheid tussen dag en nacht.
„Dag” betekent dat hij in een verheven stemming is zonder dat er correcties nodig zijn, zoals wanneer de zon schijnt en een mens geen correctie hoeft aan te brengen om haar te laten schijnen. Hij moet er alleen voor waken geen belemmeringen te plaatsen waardoor de zon niet kan schijnen waar zij moet schijnen, bijvoorbeeld door een huis zonder ramen binnen te gaan, waardoor het zonlicht niet naar binnen kan komen.
„Nacht” daarentegen is de tijd waarin de mens correcties moet verrichten zodat het voor hem zal verlichten. In de lichamelijke wereld is de nacht bijvoorbeeld de tijd waarin het in huis donker is. Door een correctie — een kaars of lamp neerzetten — ontstaat er licht. Zonder correctie zal er, ook wanneer men geen belemmeringen plaatst, zonder inspanning niets voor hem schijnen. Waar hij ook kijkt, is het alsof hij door een zwarte bril kijkt: alles is donker.
Dit is de tijd waarin de mens over zijn huidige toestand moet nadenken: hoe ver hij van spiritualiteit verwijderd is, hoezeer hij in eigenliefde is ondergedompeld, en dat hij geen mogelijkheid heeft om uit eigen kracht uit deze toestand te komen. Dan moet hij zijn werkelijke toestand zien: van nature kan een mens niets doen. Zoals onze wijzen zeiden: „Als de Schepper hem niet hielp, zou hij haar niet kunnen overwinnen.”
We moeten echter weten dat de Schepper de nacht heeft geschapen en haar zeker met een doel heeft geschapen: Zijn schepselen goed te doen. Daarom vraagt ieder: waarom heeft Hij de duisternis, de nacht, geschapen? Volgens het doel van de Schepping had Hij toch alleen dag en geen nacht moeten scheppen. Het vers zegt: „En het werd avond en het werd ochtend: één dag.” Juist door beide — nacht en dag — ontstaat één dag.
De nacht werd echter doelbewust zo geschapen dat zij zonder correcties niet verlicht, opdat de mens de correcties kan verrichten die de nacht aan hem onthult. De vaten worden namelijk gevormd op basis van de gewaarwording van duisternis. Deze vaten zijn nodig zodat er een behoefte ontstaat aan de hulp van de Schepper. Anders is er geen behoefte aan de verlossing door de Schepper. Dan is er ook geen behoefte aan de Torah, die wordt beschouwd als „het Licht daarin hervormt hem”.
Daarvoor zijn er de correcties die „Torah en Mitzvot” worden genoemd. Torah is wat ons wordt geopenbaard in het deel dat „geopenbaard” wordt genoemd: voorschriften, verhalen over de aartsvaders, enzovoort. Dit alles wordt Torah genoemd. Dit deel wordt de geopenbaarde Torah genoemd. De Torah leert ons de Mitzvot uit te voeren en hoe wij dat moeten doen, en vertelt ons eveneens de verhalen over de aartsvaders.
We moeten echter weten dat er ook een verborgen deel in de Torah is, dat wil zeggen een Torah die voor ons verborgen is. We moeten weten dat de hele Torah de Namen van de Schepper is, dat wil zeggen de openbaring van de Schepper, die „de geheimen van de Torah” wordt genoemd. Een mens begint deze pas te bereiken nadat hij met Torah Lishma [omwille van Haar Naam] is beloond.
Rabbi Meir zegt (Avot, hoofdstuk 6): „Iedereen die zich bezighoudt met Torah Lishma wordt met vele dingen beloond; de geheimen van de Torah worden aan hem geopenbaard en hij wordt als een altijd stromende bron.” Hieruit volgt dat het geopenbaarde deel van de Torah bedoeld is om ons door zijn verdienste tot Lishma te brengen, dat wil zeggen tot het vermogen iedere gedachte, ieder woord en iedere handeling met de intentie om te schenken te richten.
Nadat hij met Lishma is beloond, begint hij zich bezig te houden met de verborgen Torah en met de Ta-amim [smaken] van de Mitzvot. Door ze te verrichten trekt hij de hogere overvloed naar beneden. We hebben al gesproken over de 613 Mitzvot die „613 adviezen” worden genoemd en eveneens „613 raadgevingen”.
In de „Inleiding tot het Boek van de Zohar” staat geschreven: „De Zohar noemt de Mitzvot in de Torah ‘raadgevingen’. Zij worden echter ook ‘613 adviezen’ genoemd. Het verschil tussen beide is dat er in alles een voorzijde en een achterzijde is. De voorbereiding op iets wordt de ‘achterzijde’ genoemd, en het bereiken van datgene wordt de ‘voorzijde’ genoemd.” Met betrekking tot de voorzijde van de Mitzvot, die dan „raadgevingen” worden genoemd, legt Rabbi Shimon de veertien hierboven genoemde raadgevingen uit.
Hieruit zien we dat het verborgen deel de „voorzijde” wordt genoemd en dat een mens met de voorzijde wordt beloond nadat hij met Lishma is beloond.