Vandaag staan jullie hier, ieder van jullie
Artikel 19, 1984
De vertolkers vragen naar de woorden: "Vandaag staan jullie hier, ieder van jullie ...uw hoofden, uw stammen, uw oudsten en uw officieren, iedere man van Israël.” Het begint met de meervoudsvorm, “Jullie” [meervoudsvorm in het Hebreeuws], en eindigt in enkelvoudsvorm, “Iedere man van Israël.” De auteur van het boek, Licht en Zon, legt uit dat door het gebruik van meervoud en enkelvoud, het doelt op de kwestie van liefde voor vrienden. Hoewel onder u “hoofden, stammen,” enzovoort zijn, ziet toch niemand meer verdienste in zichzelf dan in welke man van Israël dan ook. In plaats daarvan is iedereen gelijk doordat niemand over de ander klaagt. Om deze reden worden zij ook van bovenaf overeenkomstig behandeld, en daarom wordt er grote overvloed beneden verleend.
Het is onze manier om alles te bestuderen binnen één onderwerp. Het blijkt dat een mens zichzelf de last van het koninkrijk van de hemel moet opleggen als een os onder de last en als een ezel onder de vracht, wat verstand en hart zijn. Met andere woorden, al het werk van een mens zou moeten zijn om te geven.
Als iemand dus werkt om te geven en geen enkele beloning terug wenst—behalve te dienen in het heilige werk zonder te hopen op enige toevoeging aan wat hij heeft—dan wenst hij zelfs geen extra werk. Met andere woorden, het verkrijgen van enige kennis dat hij op het juiste pad wandelt is zeker een rechtvaardige eis, en toch doet hij zelfs daar afstand van omdat hij met gesloten ogen wil gaan en geloven in de Schepper. En wat hij kan, doet hij en is tevreden met zijn deel.
En hij voelt zelfs dat er mensen zijn die enig begrip hebben van het werk van de Schepper, terwijl hij ziet dat hij volledig leeg is. Met andere woorden, vaak voelt hij een goede smaak in het werk, en soms voelt hij dat hij in een staat van “Uw hoofden” is. Met andere woorden, soms denkt hij dat hij nu een graad heeft bereikt waarin het onmogelijk is dat hij ooit zal terugvallen in een staat van nederigheid, een staat waarin als hij zich wenst bezig te houden met het werk van God, hij grote inspanningen moet leveren om zijn lichaam te dwingen. Op dat moment doet hij alles uit dwang omdat hij geen verlangen heeft naar het werk, en het lichaam alleen wil rusten en nergens om geeft.
In plaats daarvan voelt hij op dat moment dat hij nu zeker weet dat er niets anders in de wereld is dan werken met de intentie om te geven, en dan vindt hij zeker een goede smaak in het werk. En als hij terugkijkt op zijn vorige toestanden, kan hij het niet begrijpen, nu hij zich in een staat van opgang bevindt. Daarom besluit hij, op basis van alle overwegingen, dat het nu onmogelijk is dat hij ooit nog een terugval zal meemaken.
Maar soms, na een dag, een uur, of een paar minuten, daalt hij af in zo'n toestand van laagheid dat hij niet meteen kan voelen dat hij is gevallen uit zijn verheven staat in de “diepte van de grote afgrond.” Maar soms, na een uur of twee, ziet hij plotseling dat hij van het hoogste niveau is gevallen, dus van zijn eerdere zekerheid dat hij de sterkste man was, en hij is als iedere man van Israël, dus als een gewoon persoon. Dan begint hij in zijn hart raad te zoeken, “Wat moet ik nu doen?” “Hoe kan ik mezelf weer opheffen tot de staat van Gadlut die ik daarvoor had?”
In die tijd moet men wandelen op het pad van de waarheid—om te zeggen: “Mijn huidige toestand, waarin ik in volledige nederigheid verkeer, betekent dat ik opzettelijk van boven werd weggeworpen om te weten of ik werkelijk het heilige werk wil doen om te geven, of dat ik God’s dienaar wil zijn omdat ik het belonender vind dan andere dingen.”
Dan, als men kan zeggen: “Nu wil ik werken om te geven en ik wil het heilige werk niet doen om daar enige bevrediging uit te halen. In plaats daarvan neem ik genoegen met het doen van het werk van heiligheid zoals iedere Israëliet—bidden of een les volgen over het dagelijkse gedeelte. En ik heb geen tijd om na te denken met welke intentie ik studeer of bid, maar ik zal eenvoudigweg de handelingen verrichten zonder enige speciale intentie.” Op dat moment zal hij opnieuw toetreden tot het heilige werk, want nu wenst hij God’s dienaar te zijn zonder enige voorwaarden.
Dit is de betekenis van wat er geschreven staat: “Jullie staan heden, allen van jullie,” wat betekent dat alles wat je hebt doorgemaakt, alle toestanden die je hebt ervaren—of het nu toestanden van Gadlut zijn of toestanden minder dan Gadlut, die als tussenliggende of dergelijke werden beschouwd—je al die details meeneemt en je vergelijkt de ene graad niet met de andere omdat je niet uit bent op enige beloning, maar alleen op het doen van de wil van de Schepper. Hij heeft ons geboden de Mitzvot [geboden] na te leven en Torah te leren, en dat is wat wij doen, zoals iedere gewone Israëliet. Met andere woorden, de toestand waarin hij zich nu bevindt is voor hem even belangrijk als toen hij dacht dat hij zich in een toestand van Gadloet bevond. Op dat moment: “De Heer, uw God, sluit vandaag met u.”
Dit betekent dat de Schepper dan een verbond met hem sluit. Met andere woorden, juist wanneer iemand Zijn werk zonder enige voorwaarden accepteert en ermee instemt het heilige werk zonder enige beloning te doen, wat “onvoorwaardelijke overgave” wordt genoemd, is dit het moment waarop de Schepper een verbond met hem sluit.
Baal HaSulam legde de kwestie van het sluiten van een verbond uit: Wanneer twee mensen zien dat ze van elkaar houden, sluiten ze een verbond tussen hen dat hun liefde altijd zal blijven bestaan. En hij vroeg: “Als ze van elkaar houden en begrijpen dat deze liefde hen nooit zal verlaten, waarom dan dit verbond? Waarom sluiten ze dit verbond, met andere woorden, met welk doel?” Met andere woorden, wat winnen ze met het sluiten van een verbond? Is het slechts een ritueel of heeft het enig voordeel?
Hij zei dat de kwestie van het sluiten van een verbond is dat ze nu begrijpen dat het in hun belang is dat ieder van de ander houdt om redenen die ze nu kunnen inzien—dat ieder de ander aanvoelt en alleen om diens welzijn geeft—dus sluiten ze een verbond. En aangezien nu geen van beiden enige klacht over zijn vriend heeft, of anders zouden ze het verbond niet sluiten, zeggen ze tegen elkaar: “Het is de moeite waard voor ons om eenmaal en voorgoed een verbond te sluiten.” Met andere woorden, als er ooit een situatie komt waarin de één klachten zal hebben tegenover de ander, zullen ze zich allebei het verbond herinneren dat ze sloten toen de liefde tussen hen werd onthuld.
Evenzo, ook al voelen ze momenteel niet de liefde zoals ze die toen voelden, roepen ze nog steeds de oude liefde op en kijken ze niet naar de toestand waarin ze zich nu bevinden. In plaats daarvan gaan ze weer dingen voor elkaar doen. Dit is het voordeel van het verbond. Dus, zelfs wanneer de liefde die tussen hen was haar glans heeft verloren, hebben ze, omdat ze het verbond zijn aangegaan, de kracht om de stralende liefde die ze eerder hadden opnieuw te doen ontwaken. Op deze manier leiden ze elkaar weer de toekomst in.
Hieruit volgt dat het aangaan van het verbond voor de toekomst is. Het is als een contract dat ze ondertekenen waarbij ze niet spijt zullen krijgen wanneer ze zien dat de banden van liefde niet meer zijn zoals ze waren, dat deze liefde hen groot genoegen gaf terwijl ze goed deden voor elkaar, maar nu die liefde is bedorven, zijn ze machteloos en niemand kan nog iets voor de ander doen.
Maar als ze toch iets voor hun vrienden willen doen, moeten ze denken aan het sluiten van het verbond dat ze eerder hadden, en daaruit moeten ze de liefde herstellen. Het is als iemand die een contract tekent met zijn vriend, en het contract verbindt hen zodat ze niet van elkaar kunnen scheiden.
Hieruit volgt: “Jullie staan vandaag allen hier.” Met andere woorden, hij denkt aan details: “Jullie hoofden, jullie stammen, jullie oudsten en jullie beambten, iedere man van Israël.” Dit betekent dat van alle hoge graden die hij had, het nu wordt beschouwd dat hij in een staat is van “Iedere man van Israël,” en hij neemt die staat aan, net als toen hij in een toestand verkeerde die hij als goed beschouwde. Hij zegt: “Nu doe ik mijn deel, en stem ik ermee in dat de Schepper mij zal geven wat Hij wil, en ik heb geen kritiek.” Op dat moment wordt hij beloond met het sluiten van een verbond. Met andere woorden, de verbinding blijft voor altijd bestaan omdat de Schepper een verbond met hem heeft gesloten voor de hele eeuwigheid.
Volgens het bovenstaande moeten we het vers interpreteren: “De verborgen dingen zijn voor de Heer, onze God, maar de geopenbaarde dingen zijn voor ons en onze kinderen tot in eeuwigheid, opdat wij al de woorden van deze wet zullen doen.” We moeten begrijpen wat dit vers ons wil zeggen. We kunnen niet zeggen dat het komt om ons te vertellen dat we niet weten wat verborgen is en alleen de Schepper dit weet. Dat kunnen we niet zeggen, want zonder dit vers weten we ook niet wat voor ons verborgen is. Wat wil het vers ons dan wel vertellen?
Het is bekend dat er iets is dat verborgen is en iets dat geopenbaard is. Dit betekent dat het actieve deel van wat wij doen is wanneer wij kunnen zien of we het wel of niet doen. En als het lichaam de Mitswa [gebod] niet wil uitvoeren, is er een methode—men kan zichzelf dwingen, wat betekent dat hij gedwongen wordt om de Mitsva tegen zijn wil te doen. Het blijkt dat dwang relevant is bij geopenbaarde dingen.
Het verborgen aspect is de intentie in de Mitsva. Dit kan men niet zien, met andere woorden: wat de ander bedoelt tijdens het uitvoeren. Hetzelfde geldt voor de persoon zelf, degene die handelt. Ook hij kan niet weten of hij zichzelf voor de gek houdt tijdens de handeling. Hij denkt dat hij geen ander doel heeft en dat hij zich volledig toewijdt aan de Schepper. Maar met de handeling, die “het geopenbaarde deel” wordt genoemd, is het niet relevant om te spreken over iemand die tegen zichzelf liegt, dat hij denkt dat hij Tefillin draagt terwijl het in werkelijkheid geen Tefillin is. Evenzo kan een vrouw zichzelf niet wijsmaken dat zij de Sabbatskaarsen aansteekt terwijl dat feitelijk niet zo is.
Maar met intentie kan men zeggen dat iemand tegen zichzelf liegt. Hij denkt dat hij Lishma [omwille van Haar] werkt terwijl hij in werkelijkheid volledig in Lo Lishma [niet omwille van Haar] is. Ook kan er geen dwang zijn, want men kan zijn gedachte niet dwingen te denken wat hij wil. Wat betreft zaken die behoren tot het gevoel of het verstand, is een mens machteloos. Men kan zijn verstand niet dwingen anders te begrijpen dan het doet, of anders te voelen dan hij voelt.
Nu kunnen we het bovenstaande begrijpen—dat alles wat ons rest, het praktische deel is. Dit wordt genoemd: “De verborgen dingen zijn voor de Heer, onze God; maar de geopenbaarde dingen zijn voor ons en onze kinderen voor altijd, opdat wij al de woorden van deze wet doen.” Wij zijn geboden de handeling te verrichten, dat wil zeggen, wij zijn geboden de daad te volbrengen, zelfs gedwongen.
Maar wat betreft de intentie, genoemd "het verborgene," daarin heeft geen mens enig inzicht of bestuur. Dus, wat moeten we doen om ook het verborgene te bewaren? Hier kan men alleen toetsen, dat wil zeggen zichzelf onderzoeken om te zien of hij werkelijk alles doet om te geven, of dat het lichaam zich verzet tegen het doel om te geven. Hij voelt dat hij ervan verwijderd is, in die mate dat hij helemaal niets alleen kan doen, want wat hij ook van plan is te doen, alle tactieken om in staat te zijn om te geven helpen hem niet.
Het is hierover dat het vers ons komt vertellen dat deze kwestie van Lishma, genoemd "het verborgene," aan de Heer onze God toebehoort. Met andere woorden, alleen de Schepper kan hem helpen, terwijl er absoluut geen mogelijkheid is dat hij het zelf zou kunnen bereiken. Het is niet in de handen van de mens, omdat het boven de natuur is. Daarom zegt het vers: "De verborgen dingen zijn voor de Heer onze God," wat betekent dat het aan Hem toebehoort, dat de Schepper deze kracht zou moeten geven die "geven" wordt genoemd.
Daarom zeiden onze wijzen (Kidushin 30): "De neiging van de mens overweldigt hem elke dag en wil hem doden, zoals er staat geschreven: 'De goddeloze loert op de rechtvaardige en zoekt hem te doden.' En als de Schepper hem niet helpt, zou hij het niet overwinnen, zoals er staat geschreven: 'De Heer zal hem niet aan zijn hand overlaten.'"
De kwestie van proberen hem te doden betekent dat het wenst dat de mens alles doet om te ontvangen, wat wordt beschouwd als gescheiden zijn van het Leven der Levens. Natuurlijk blijft men een beest. Daarom zeiden onze wijzen: “De goddelozen worden ‘dood’ genoemd terwijl ze leven.” Het blijkt dus dat het “dood” wordt genoemd wanneer zijn intentie is om te ontvangen. Dit wordt als afscheiding beschouwd. Om beloond te worden met Dvekut [hechting], wat betekent dat men de kracht krijgt om te geven—dat men zoiets bezit—alleen de Schepper kan het hem geven; het is niet in de macht van de mens om het te verkrijgen.
Daarom zeiden onze wijzen: “De neiging van de mens overweldigt hem elke dag en probeert hem te doden, en als de Schepper hem niet hielp, zou hij het niet overwinnen, zoals er gezegd wordt: ‘De Heer zal hem niet in zijn hand overlaten.’” Vanuit wat we uitgelegd hebben, kunnen we het vers begrijpen: “De verborgen dingen zijn voor de Heer, onze God, maar de geopenbaarde dingen zijn voor ons en onze zonen.”
Dus alleen de daad is aan ons om te doen, maar het verborgen deel is aan de Schepper om te doen.
Echter, er is nog steeds iets voor ons te doen met betrekking tot het verborgene, zodat de Schepper ons het verborgen deel zal geven. Dit volgt de regel dat alles een opwekking van beneden vereist. Er is een regel dat er geen licht is zonder een Kli [vat], wat betekent dat er geen vervulling is zonder een tekort. Je kunt niets invoegen tenzij er een leegte is, en dan kun je erin plaatsen wat je wilt. Maar als er geen holte is, geen lege plaats, hoe kunnen we dan iets invoegen?
Daarom moeten we eerst inzien dat we het vat van geven, genaamd “verlangen om te geven,” niet hebben, en dat dit ons licht is. Zoals we in eerdere artikelen hebben uitgelegd, is onze voornaamste beloning het verkrijgen van het verlangen om te geven, genaamd “Weerkaatst Licht,” zoals er gezegd wordt: “De hele beloning waarop we hopen is het Weerkaatste Licht” (Algemene Inleiding tot de Boom des Levens).
Dus, als het verlangen om te geven “het licht” wordt genoemd, dan is dit tekort, wanneer iemand ziet dat hij niet de kracht heeft om te geven, genaamd “een Kli.” Hij voelt dat dit is wat hij mist, dat wil zeggen, hij ziet wat hij verliest door deze kracht, “de kracht van het geven,” niet te hebben. Zijn tekort wordt dus in hem opgebouwd volgens zijn gewaarwording. Dit wordt “een Kli” en “een leegte” genoemd, want hier—waar hij de kracht van geven mist—is er plaats voor deze vervulling om binnen te komen. Dit wordt “de komst van het licht in het Kli” genoemd.
We moeten echter weten dat het ontvangen van dit Kli veel werk vereist. We hebben Kelim [meervoud van Kli], genaamd “tekorten,” die we willen vullen. Ze worden “Kelim van eigenliefde” genoemd, wat betekent dat we vervulling willen ontvangen. Dit zijn zeer belangrijke Kelim omdat ze afkomstig zijn van de kant van de Schepper, die ze geschapen heeft vanuit het niets omdat Hij Zijn schepselen goed wil doen, wat betekent dat Hij vervulling wil geven. Maar hoe is het mogelijk om vervulling te geven als er geen lege plek is om de vervulling in te plaatsen? Daarom heeft Hij deze Kelim geschapen, iets uit niets, om daarin het genot en plezier te plaatsen. Hieruit blijkt dat dit de essentie is van het Kli dat de Schepper heeft geschapen.
Doordat dit Kli echter een “verlangen om te ontvangen” wordt genoemd, wilde het gelijkvormigheid van vorm verkrijgen, genaamd “Dvekut [aanhechting] met de Schepper.” Daarom werd dit Kli als ongeschikt beschouwd om een Kli voor het ontvangen van de hogere overvloed te zijn. Nu is er behoefte aan een nieuw Kli voor ontvangst, dat zich kleedt in het voormalige Kli, waarbij alleen door beide—door de wil om te geven te kleden in de wil om te ontvangen—dit Kli geschikt zal zijn voor het ontvangen.
Het vorige Kli, genaamd “verlangen om te ontvangen,” kwam van de Emanator. Het lagere heeft geen aandeel in het werk van het verlangen om te ontvangen, hoewel alles van de Emanator komt. Evenzo komt het tweede Kli, genaamd “verlangen om te geven,” ook alleen van de Emanator, en het lagere kan er niets aan toevoegen, net zoals bij het eerste Kli, genaamd “verlangen om te ontvangen.”
Het verschil is echter dat het vat van geven eerst een vraag moet hebben van de lagere, die de Schepper vraagt om het nieuwe Kli te ontvangen. Dit had het eerste Kli niet, omdat het hem gegeven werd zonder enige opwekking van de kant van de lagere.