<- Kabbalah bibliotheek
Verder lezen ->
Kabbalah bibliotheek Home / Bnei Baruch / Wereld Kabbalah-conventie - Mei 2025: 'Verbinden met "Er is niemand anders dan Hij"' / Wereld Kabbalah Conventie - Mei 2025. Les 3: Les 3: Als ik niet voor mij ben, wie is dan voor mij?

Geselecteerde fragmenten uit de bronnen

Wereld Kabbalah Conventie - "Verbinden met "Er is geen ander dan Hij"" - mei 2025

Les 3: Als ik niet voor mij ben, wie is dan voor mij?

Geselecteerde fragmenten uit de bronnen


1. Baal HaSulam, Brief nr. 16

Ik heb al in naam van de Baal Shem Tov gezegd dat men, voordat men een Mitswa [gebod] doet, helemaal geen rekening mag houden met persoonlijke voorzienigheid. Integendeel, men moet zeggen: “Als ik niet voor mij ben, wie is dan voor mij?” Maar achteraf moet men zich bedenken en geloven dat het niet door “mijn kracht en de macht van mijn hand” was dat ik de Mitswa deed, maar alleen door de kracht van de Schepper, die van tevoren zo over mij had nagedacht, en dus moest ik het doen.

Hetzelfde geldt voor wereldse zaken, omdat spiritualiteit en lichamelijkheid gelijk zijn. Daarom moet men, voordat men eropuit gaat om zijn dagelijks brood te verdienen, zijn gedachten van persoonlijke voorzienigheid afwenden en zeggen: “Als ik niet voor mijzelf ben, wie is er dan voor mij?” Men moet alle tactieken toepassen die in de lichamelijkheid worden gebruikt om zijn brood te verdienen, net als anderen.

Maar 's avonds, wanneer men met zijn verdiensten thuiskomt, mag men nooit denken dat men deze winst door eigen innovaties heeft verdiend. Integendeel, zelfs als hij de hele dag in de kelder van zijn huis was gebleven, zou hij nog steeds zijn loon hebben verdiend, want zo heeft de Schepper het van tevoren voor hem overwogen, en zo moest het zijn.

Hoewel de zaken aan de oppervlakte het tegenovergestelde lijken en onredelijk zijn, moet men geloven dat de Schepper dit voor hem heeft bepaald in Zijn wet, door auteurs en in boeken.

Dit is de betekenis van de eenwording van HaVaYaH Elokim [God]. HaVaYaH betekent persoonlijke Voorzienigheid, waarbij de Schepper alles is en Hij geen bewoners van materiële huizen nodig heeft om Hem te helpen. Elokim in Gematria is HaTeva [de natuur], waarbij de mens zich gedraagt volgens de natuur die Hij in de systemen van de materiële hemel en aarde heeft ingebed, en hij houdt zich aan die regels, net als de rest van de materiële wezens. En toch gelooft hij ook in HaVaYaH, dat wil zeggen in persoonlijke Voorzienigheid.

Hierdoor verenigt hij hen met elkaar, en “zij werden als één in zijn hand”. Op deze manier brengt hij grote tevredenheid aan zijn Schepper en brengt hij verlichting in alle werelden.

Dit is de betekenis van de drie onderscheidingen: gebod, overtreding en toestemming. Het gebod is de plaats van Kedusha [heiligheid], de overtreding is de plaats van de Sitra Achra [andere kant], en toestemming, die noch een Mitzva noch een overtreding is, is de plaats waar de Kedusha en de Sitra Achra strijden.

Wanneer een persoon toegestane dingen doet maar deze niet aan Kedusha wijdt, valt die hele plaats in het domein van de Sitra Achra. En wanneer een persoon sterker wordt en zich bezighoudt met toegestane dingen om zoveel mogelijk eenheden te maken, brengt hij de toestemming terug naar het domein van Kedusha.


2. Baal HaSulam, Shamati, artikel nr. 217, “Als ik niet voor mij ben, wie is dan voor mij?”

“Als ik niet voor mij ben, wie is dan voor mij, en als ik voor mijzelf ben, wat ben ik dan?” Dit is een inherente tegenstrijdigheid. Het punt is dat men al zijn werk moet doen op basis van ‘Als ik niet voor mij ben, wie is dan voor mij’, dat niemand hem kan redden, maar ‘met uw mond en met uw hart om het te doen’, dat wil zeggen, een onderscheid tussen beloning en straf. Maar voor zichzelf, in het geheim, moet men weten dat “wanneer ik voor mezelf ben, wat ben ik dan?” Dit betekent dat alles in het geheim door de Voorzienigheid wordt bepaald en dat niemand iets kan doen.

Als je zegt dat als alles in de persoonlijke voorzienigheid ligt, waarom is er dan de kwestie van werken in de vorm van 'Als ik niet voor mijzelf ben, wie is dan voor mij?'. Maar door te werken in de vorm van 'Als ik niet voor mijzelf ben, wie is dan voor mij', wordt men beloond met persoonlijke voorzienigheid, dat wil zeggen dat men deze bereikt. Zo volgt alles het pad van correctie, en de verdeling van toegevoegde genegenheid, “kinderen van de Schepper” genoemd, wordt niet onthuld tenzij dit wordt voorafgegaan door werk in de vorm van “Als ik niet voor mij ben, wie is dan voor mij?”


3. RABASH, Artikel nr. 19 (1990), ‘Waarom wordt de Torah ’Middenlijn” genoemd in het Werk? - 2"

Men moet geloven dat “er niemand anders is dan Hij”, dat de Schepper alles doet. Met andere woorden, zoals Baal HaSulam zei, moet men vóór elke handeling zeggen dat de mens alleen keuze heeft gekregen, want “Als ik niet voor mij ben, wie is dan voor mij?” Alles hangt dus af van iemands keuze. Achteraf moet men echter zeggen dat alles privé-voorzienigheid is en dat men niets uit zichzelf doet.

4. RABASH, Artikel nr. 6 (1991), “Wat is ‘de herders van Abrams vee en de herders van Lots vee’ in het Werk?”

“Het is niet aan jou om het werk te voltooien.” Dit impliceert dat het niet in de handen van de mens ligt, maar zoals geschreven staat: ”De Heer zal het voor mij voltooien.” Dit betekent dat het niet binnen het vermogen van de mens ligt om het verlangen om te geven te verkrijgen.

Er zijn hier echter twee zaken: 1) Een mens moet zeggen: “Als ik niet voor mijzelf ben, wie is dan voor mij?” Daarom moet hij niet verontrust zijn door het feit dat hij niet beloond is met het verkrijgen van het verlangen om te geven, hoewel hij naar zijn mening grote inspanningen heeft geleverd. Niettemin moet hij geloven dat de Schepper wacht totdat Hij openbaart wat hij moet doen. 2) Daarna zal de Schepper het voor hem volbrengen, wat betekent dat hij op dat moment onmiddellijk zal ontvangen wat hij wil, zoals geschreven staat: “De redding van de Heer is als een oogwenk.”


5. RABASH, Artikel nr. 18 (1986), ‘Wie veroorzaakt het gebed’

Men moet niet zeggen: “Ik wacht tot de Schepper mij een ontwaking van boven geeft, en dan zal ik in staat zijn om aan het werk van heiligheid te werken.” Baal HaSulam zei dat een mens met betrekking tot de toekomst moet geloven in beloning en straf, wat betekent dat hij moet zeggen (Avot, hoofdstuk 1): “Als ik niet voor mij ben, wie is dan voor mij, en als ik voor mij ben, wat ben ik dan, en als niet nu, wanneer dan wel?”

Men moet dus geen moment langer wachten. In plaats daarvan moet men zeggen: “Als niet nu, wanneer dan wel?” En men moet niet wachten op een beter moment, zodat “ik dan zal opstaan en het werk van heiligheid zal doen.” Het is veeleer zoals onze wijzen zeiden (Avot, hoofdstuk 2): “Zeg niet: ‘Ik zal studeren als ik tijd heb’, anders zul je geen tijd hebben.”


6. RABASH, artikel nr. 659 “Wat zijn Torah en werk?”

Met betrekking tot de Schepper kunnen we spreken van Torah, aangezien werk specifiek betrekking heeft op de geschapen wezens.

Werk is alleen van toepassing op de geschapen wezens. Wanneer we dus spreken over werk, bedoelen we dat we leren wat we moeten doen. In die toestand moet een mens zeggen: “Als ik niet voor mijzelf ben, wie is dan voor mij?”

Daarna moeten we de kwaliteit van Torah uitbreiden op dit werk, beschouwd als wat de Schepper doet. Dat wil zeggen, we moeten het onderscheidingsvermogen van de persoonlijke Voorzienigheid uitbreiden en we moeten niet zeggen: “Mijn kracht en de macht van mijn hand hebben mij deze rijkdommen verschaft.” Dit is de betekenis van Torah die “de namen van de Schepper” wordt genoemd, wat betekent dat de Schepper alles doet.


7. RABASH, Artikel nr. 845, “Niemand is zo heilig als de Heer”

Alle Kedusha [heiligheid] die iemand voelt, komt van de Schepper. Dit is wat het betekent dat er geen Kedusha is, dat wil zeggen geen Kedusha in de wereld die iemand zelf kan verkrijgen. Integendeel, alles komt van de Schepper. Daarom staat er geschreven: “Er is niemand zo heilig als de Heer” en “Er is geen rots zoals onze God”.

Het is bekend dat Kelim [vaten] worden aangeduid met de naam Elokim [God], en lichten worden aangeduid met de naam HaVaYaH. Er staat geschreven: “er is geen rots”, wat betekent dat wanneer iemand ziet dat hij vaten heeft om te geven. Dit wordt beschouwd als iets nieuws dat voor hem is geschapen, dat “rots” wordt genoemd, wat betekent dat op een plaats waar hij vaten om te ontvangen had, er gevende vaten in hem zijn afgebeeld. Men moet niet denken dat hij de Schepper op enigerlei wijze heeft geholpen en daardoor gevende vaten heeft verkregen. Integendeel, alles kwam van boven.

Baal HaSulam zei dat men, voordat men aan het werk gaat, moet zeggen: “Als ik niet voor mij ben, wie is dan voor mij?” Na het werk moet men geloven in persoonlijke voorzienigheid, wat betekent dat de Schepper alles doet. Dit is de betekenis van wat daar staat geschreven: “De Schepper tekent een beeld binnen een beeld.” We moeten dat interpreteren als dat Hij binnen de vorm van de Kelim, wat ontvangst is, de vorm van geven tekent.


8. Baal HaSulam, Shamati, Artikel nr. 5, “Lishma is een ontwaken van boven, en waarom hebben we een ontwaken van beneden nodig?”

Men moet alles doen wat mogelijk is in de wereld om “omwille van de Schepper” te bereiken. Dan kan men vanuit het diepst van het hart bidden, en dan hoort de Schepper zijn gebed.

Men moet echter weten dat wanneer men zich inspant om de Lishma te bereiken, men op zich moet nemen om volledig te willen werken om te geven, volledig, dat wil zeggen alleen maar geven en niets ontvangen. Alleen dan begint men te zien dat de organen het niet eens zijn met deze visie.

Hieruit kan men tot het duidelijke besef komen dat men geen andere keuze heeft dan zijn hart uit te storten voor de Schepper om hem te helpen, zodat het lichaam ermee instemt zich onvoorwaardelijk aan de Schepper te onderwerpen.