Les 4: Een gebed omhoog brengen voor Lishma
1. RABASH, Artikel Nr. 508, “De opstijging van Malchut naar Bina”
Voordat een mens beloond wordt met geloof, moet hij werken in Lo Lishma [niet omwille van Haar], wat naar een mens komt door de vermenging van Malchut met Bina, zoals hierboven gezegd.
Dus, een mens kan niet Lishma [omwille van Haar] werken totdat hij geloof heeft.
Daarom moet een mens, als hij Lishma wil werken, al zijn energie alleen op dit punt richten: tot de Schepper bidden om hem het licht van geloof te zenden, want alleen dan zal hij beloond worden met het bezig zijn in Torah en Mitzvot Lishma.
2. Baal HaSulam, Shamati, Artikel 5, “Lishma Is een Ontwaken van Boven, en Waarom Hebben We een Ontwaken van Beneden Nodig?”
De noodzaak van het werk van de mens om Lishma van de Schepper te ontvangen, is alleen in de vorm van een gemis en een Kli (vat).
Toch kan men de vervulling nooit zelf verkrijgen; het is namelijk een geschenk van de Schepper.
Het gebed moet echter een volledig gebed zijn, vanuit de grond van het hart.
Dit betekent dat men honderd procent weet dat er niemand in de wereld is die hem kan helpen, behalve de Schepper Zelf.
Maar hoe weet men dit, dat niemand hem zal helpen behalve de Schepper Zelf?
Dat besef verkrijgt men juist als hij alle krachten die hem ter beschikking staan heeft gebruikt en het hem niet heeft geholpen.
Daarom moet men al het mogelijke in de wereld doen om “omwille van de Schepper” te bereiken.
Dan kan men uit de grond van zijn hart bidden, en dan hoort de Schepper zijn gebed.
3. Baal HaSulam, Shamati, Artikel Nr. 20, “Lishma [omwille van haar]”
Betreffende Lishma [omwille van Haar].
Om Lishma te verkrijgen heeft een mens een ontwaken van boven nodig, want het is een lichtschijnsel van boven en het menselijke verstand kan het niet begrijpen.
Integendeel, hij die proeft, weet.
Hierover staat geschreven: “Proef en zie dat de Heer goed is.”
Daarom moet men, als men de last van het koninkrijk der hemelen op zich neemt, het in uiterste volledigheid doen, dat wil zeggen, alleen geven en absoluut niet ontvangen.
Als een mens ziet dat zijn organen niet met deze zienswijze instemmen, heeft hij geen andere keuze dan te bidden - zijn hart uit te storten bij de Schepper om hem te helpen zijn lichaam te laten instemmen om zich aan de Schepper te onderwerpen.
4. Baal HaSulam, Shamati, Artikel Nr. 79, "Atzilut en BYA"
Men moet Lishma gaan leren omwille van de Torah, wat betekent dat de Torah hem de wegen van de Schepper zal leren.
Vervolgens moet hij eerst de verzachting van Malchut in Bina maken, wat betekent dat hij Malchut, genaamd "wil om te ontvangen", verheft tot Bina, wat als geven wordt beschouwd.
Dat wil zeggen dat al zijn werk alleen maar zal zijn om te geven.
En dan wordt het donker voor hem.
Hij voelt dat de wereld donker is geworden voor hem, omdat het lichaam alleen kracht geeft om te werken in de vorm van ontvangen en niet in de vorm van geven.
In die staat heeft hij slechts één keuze: bidden tot de Schepper om zijn ogen te openen, zodat hij op de manier van geven kan werken.
Dit is de betekenis van “Wie staat voor de vraag?”
Dit verwijst naar Bina, Mi [water] genaamd en de vraag komt van het vers, 'vragen over de regens,' wat gebed betekent.
Aangezien zij de staat van “water van Bina” bereiken, is er ruimte om ervoor te bidden.
5. RABASH, Artikel Nr. 24 (1991), “Wat Betekent Het dat Men een Zoon en een Dochter Moet Baren in het Werk?”
Wanneer een mens volhardt en om hulp vraagt van de Schepper, nadat hij heeft besloten dat hij een kwaaddoener in zijn hart heeft, "wil om te ontvangen" genaamd, en dat hij hier niet uit kan ontsnappen, d.w.z. dat hij, na verschillende op- en neergangen te hebben doorgemaakt, uiteindelijk ziet dat hij naakt en berooid is achtergebleven.
Op dat moment komt zijn gebed uit de grond van zijn hart.
Dat wil zeggen dat hij inziet dat hij, als de Schepper hem niet helpt, dit niet kan overwinnen.
6. Baal HaSulam, Shamati, Artikel Nr. 19, “Wat is 'De Schepper Haat de Lichamen' in het Werk?”
Juist wanneer de wil om te ontvangen ontwaakt, is er ruimte voor werk.
Dan heeft men nauw contact met de Schepper om hem te helpen de wil om te ontvangen om te zetten in werk om te geven.
Men moet geloven dat hieruit tevredenheid naar de Schepper vloeit, uit zijn gebed tot Hem om hem dichterbij te brengen op de manier van Dvekut [adhesie], “gelijkvormigheid genaamd,” te onderscheiden als de annulering van de wil om te ontvangen, zodat hij kan geven.
De Schepper zegt hierover: “Mijn zonen hebben Mij verslagen.”
Dat wil zeggen, Ik heb jullie de wil om te ontvangen gegeven en jullie vragen Mij om jullie in plaats daarvan een verlangen om te geven te schenken.
7. RABASH, Artikel Nr. 40 (1990), “Wat is ‘Want gij zijt de minste van alle volkeren’ in het werk?”
Een mens ziet dat hij op geen enkele manier in staat zal zijn om te werken met het verlangen om te geven, en niet ten behoeve van zichzelf.
Zoiets kan alleen gebeuren door een wonder van boven.
En daarom wordt dit “de uittocht uit Egypte” genoemd, wat betekent dat men uit de natuurlijke denkwijze treedt, waarin het onmogelijk is om te bewegen, tenzij men er plezier aan beleeft.
Daartegenover vraagt hij nu de Schepper om hem de kracht te geven om daar te werken waar hij geen gevoel of smaak heeft, maar om te geloven dat de Schepper van dit werk geniet, omdat het allemaal om te geven is.
Daarom is dit gebed een eerlijk gebed, omdat een mens ziet dat hij er niet op kan hopen ooit iets te kunnen doen om te geven.
Hieruit volgt dat een mens zich verloren voelt.
Op dat moment heeft hij nauw contact met de Schepper en dit is iets wat een mens zou moeten waarderen - dat hij de Schepper vraagt om hem te helpen en dat er niemand in de wereld is die hem kan redden.
8. RABASH, Brief Nr. 9
Wie zijn laagheid ziet, ziet dat hij het pad bewandelt dat naar het werk Lishma leidt.
Dit geeft hem ruimte voor een oprecht gebed uit de grond van het hart, als hij ziet dat niemand hem zal helpen behalve de Schepper Zelf, zoals Baal HaSulam over de verlossing uit Egypte uitlegde: “Ik, en niet een boodschapper,” want iedereen zag dat alleen de Schepper Zelf hen uit de heerschappij van het kwaad verloste.
En wanneer men met het werk Lishma beloond wordt, is er zeker niets om trots op te zijn, omdat men dan inziet dat het alleen een geschenk van God is, en niet “mijn kracht en de macht van mijn hand.”