<- Kabbalah bibliotheek
Verder lezen ->
Kabbalah bibliotheek Home / Bnei Baruch / Verbinden met Lishma - 20/21 februaie 2025 / Les 3: Alleen de Schepper kan helpen Lishma te bereiken

1. RABASH, Artikel 29 (1986), “Lishma en Lo Lishma

Nu hij ziet dat hij ver van spiritualiteit verwijderd is, begint hij te denken: “Wat wordt er werkelijk van mij verlangd? Wat moet ik doen? Wat is het doel dat ik moet bereiken?” Hij ziet dat hij geen kracht heeft om te werken en bevindt zich in een toestand van “tussen hemel en aarde”. De enige versterking voor de mens is dan dat alleen de Schepper hem kan helpen, maar alleen is hij verloren.

Hierover staat geschreven (Jesaja 4:31): “Maar zij die op de Schepper hopen, zullen nieuwe kracht krijgen”, waarmee die mensen bedoeld worden die op de Schepper hopen. Dat betekent dat zij die zien dat er niemand anders in de wereld is die hen kan helpen, telkens nieuwe kracht krijgen.

2. RABASH, Artikel Nr. 12 (1988), “Wat zijn Torah en Werk op de Manier van de Schepper?”

Het voelen van de kracht in de Torah vereist een grote voorbereiding om zijn lichaam voor te bereiden om het leven in de Torah te kunnen voelen. Daarom zeiden onze wijzen dat we in Lo Lishma moeten beginnen, en het licht van de Torah dat hij verkrijgt terwijl hij nog in Lo Lishma is, zal hem naar Lishma brengen, aangezien het licht erin hem hervormt. Dan zal hij in staat zijn om Lishma te leren, d.w.z. omwille van de Torah, wat 'Torah [wet] van het leven' wordt genoemd, aangezien hij reeds het leven in de Torah bereikt heeft, want het licht in de Torah heeft een mens een zodanige bekwaamheid gegeven dat hij het leven dat in de Torah aanwezig is, kan voelen.

3. RABASH, Artikel No. 19 (1985), “Kom tot Farao - 1”

We moeten opletten [...] en door de slechtst mogelijke staten heen geloven, en niet aan de strijd ontsnappen, maar er altijd op vertrouwen dat de Schepper een mens kan helpen en geven, of men nu weinig hulp of veel hulp nodig heeft.

In waarheid, iemand die begrijpt dat hij de Schepper nodig heeft om hem veel hulp te geven, omdat hij slechter is dan de rest van de mensen, is meer geschikt voor zijn gebed om verhoord te worden, zoals er geschreven staat: “De Heer is nabij de gebrokenen van hart en redt de gebrokenen van geest”.

4. RABASH, Artikel nr. 42 (1991), "Wat is, 'Een Os Kent Zijn Eigenaar, enz., Israël Weet Het Niet,' in het Werk?"

Een mens gelooft dat de Schepper alles doet, en er bestaat geen twijfel over dat de Schepper alles omwille van de mens doet, dus hij zegt van de neerdalingen die hij ontvangt, dat de Schepper hem deze staten voor zijn eigen voordeel heeft gezonden.

Dat geeft de mens kracht om niet aan de strijd te ontsnappen, hoewel hij niet ziet dat de Schepper over hem waakt, d.w.z. dat hij niet voelt dat de Schepper hem helpt. Integendeel, hij gaat niet vooruit in het werk, maar gaat zelfs achteruit. Maar als hij gelooft dat de Schepper hem helpt door hem afdalingen te zenden, ontsnapt hij niet langer aan de strijd.

In plaats daarvan zegt hij dat de Schepper hem helpt, maar niet op een manier die de mens begrijpt, namelijk door opstijgingen. De Schepper helpt hem juist door neerdalingen. Daarom maakt dit geloof hem sterker, zodat hij de strijd niet ontvlucht. In plaats daarvan wacht hij op de hulp van de Schepper en bidt dat hij de kracht zal krijgen om het werk voort te zetten, totdat de Schepper zijn ogen opent en hij met Dvekut aan de Schepper beloond zal worden.

5. RABASH, Artikel 19 (1985), “Kom tot Farao - 1”

Om niet te verliezen wat hem gegeven is, moet men zich eerst grote inspanningen getroosten, want iets wat door arbeid tot iemand komt, zorgt ervoor dat hij dat behoudt en niet verliest. Maar tijdens de inspanning, als een mens ziet dat het werk nog lang niet af is, ontsnapt hij soms aan de strijd en vervalt hij in wanhoop. Op dat moment heeft hij grote versterking nodig om te geloven dat de Schepper hem zal helpen en het feit dat er geen hulp is gekomen, komt omdat hij niet de vereiste kwantiteit en kwaliteit van arbeid heeft gegeven om het tekort voor te bereiden waardoor hij de vervulling kan ontvangen, zoals er geschreven staat ('Inleiding tot de studie van de Tien Sefirot', punt 18), “En als iemand de Torah beoefent en er niet in slaagt om de kwade neiging uit zichzelf te verwijderen, dan is het ofwel zo dat hij nalatig is geweest in het leveren van de nodige arbeid en inspanning bij het beoefenen van de Torah, zoals er geschreven staat: 'Ik heb niet gewerkt, maar gevonden, geloof het niet' of men heeft misschien wel de nodige hoeveelheid arbeid verricht, maar is nalatig geweest in de kwaliteit.”

6. RABASH, Artikel Nr. 924, “En God Sprak tot Mozes”

Het is onmogelijk om iets boven de natuur te ontvangen voordat men besluit dat dit niet binnen de natuur kan gebeuren. Pas nadat men wanhoopt aan de natuur, kan hij om hulp van boven vragen, om hulp boven de natuur te krijgen.

7. RABASH, Artikel 10 (1986), 'Betreffende Gebed'

Voordat men weet dat men de vaten van geven niet zelf kan verkrijgen, vraagt hij de Schepper niet om ze aan hem te geven. Hieruit volgt dat hij er geen echt verlangen naar heeft dat de Schepper zijn gebed verhoort. Daarom moet men werken om de vaten van geven zelf te verkrijgen, en na al het werk dat hij erin heeft gestoken zonder ze te verkrijgen, begint het echte gebed vanuit de grond van het hart. Op dat moment kan hij hulp van boven ontvangen, zoals onze wijzen zeiden: “Hij die komt om gezuiverd te worden, wordt geholpen.” 

Maar aangezien dit gebed tegen de natuur ingaat, omdat de mens geschapen is met een verlangen om te ontvangen, wat eigenliefde is, hoe kan hij dan tot de Schepper bidden om hem de kracht van schenken te geven terwijl alle organen zich tegen dit verlangen verzetten?  Daarom heet dit werk 'gebed', dit betekent dat hij grote inspanningen moet leveren om tot de Schepper te kunnen bidden om hem de kracht van schenken te geven en de kracht van ontvangen van de mens te annuleren.

8. Baal HaSulam, Shamati, Artikel 5, 'Lishma Is een Ontwaken van Boven, en Waarom Hebben We een Ontwaken van Beneden Nodig?

Hij moet geloven dat de Schepper het werk van de lageren accepteert, ongeacht hoe en hoeveel de vorm van hun werk is. In alles onderzoekt de Schepper de intentie, en dit brengt de Schepper tevredenheid. Dan wordt men beloond met “vreugde in de Heer.”

Zelfs tijdens het werk van de Schepper zal hij vreugde en plezier voelen omdat hij nu waarlijk voor de Schepper werkt, omdat de inspanning die hij tijdens het gedwongen werk leverde, hem kwalificeert om waarlijk voor de Schepper te kunnen werken. Dan zul je ontdekken dat het genot dat hij ontvangt ook betrekking heeft op de Schepper, en dat betekent specifiek voor de Schepper.