924. En God sprak tot Mozes
VaEra, januari 1955
“En God sprak tot Mozes en zei tegen hem: ‘Ik ben de Heer.’”
We moeten begrijpen wat deze uitspraak voor ons betekent. Het lijkt te verwijzen naar de vraag van Mozes aan het einde van het gedeelte, Shemot [Exodus 5:23], waar geschreven staat: “Sinds ik bij de Farao kwam om in Uw naam te spreken, heeft hij dit volk kwaad gedaan, en U hebt Uw volk helemaal niet gered.”
De vraag van Mozes was dat, toen hij zei dat ze moesten werken Lishma [omwille van Haar], iedereen dacht dat hun werk intenser en met grotere kracht zou zijn, maar in werkelijkheid was het tegenovergestelde waar—ze werden zwakker in het werk.
Daarom riepen ze uit tot Mozes: “Wat voor goeds heb je ons gedaan toen je beloofde dat we uit de ballingschap in Egypte zouden komen, wat betekent dat ons verstand in ballingschap was en dat we via de weg die jij ons geeft, werken in Lishma, bevrijd zullen worden van de slavernij van het lichaam, ‘Farao’ genoemd? In feite hebben we geen enkele motivatie! Ons verstand zegt dat we jouw verheven doel niet kunnen ontvangen.”
Daarop kwam het antwoord: “En God sprak tot Mozes.” God is natuur. Wat de natuur betreft, heb je gelijk dat je niet de brandstof hebt om je werk voort te zetten. “En zei tot hem: ‘Ik ben de Heer.’” De Schepper is de eigenschap van genade, en door Zijn genade kunnen ze kracht en brandstof ontvangen boven de natuur en boven de rede, en daarover kunnen ze niet langer discussiëren omdat alle argumenten die een mens kan maken alleen zijn waar het verstand het bevestigt. Maar boven de rede kan alles gebeuren, behalve dat we het geloof moeten vergroten dat de Schepper kan helpen boven de natuur.
Het is in feite onmogelijk om iets boven de natuur te ontvangen voordat men besluit dat dit binnen de natuur niet kan gebeuren. Pas nadat men de hoop op de natuur heeft opgegeven, kan hij om hulp van boven vragen, om hulp te krijgen boven de natuur.